maandag 17 maart 2014

Elkaar vertellen


We zitten in de tuin. Een merel fluit de tijd weg, het is lente. We hebben elkaar lang niet gezien. Babbelen gaat weer net zo leuk als vroeger. Het doet me denken aan toen we nog op straat konden spelen. Een beetje de bal over en weer tikken - zo spelen we elkaar nu verhalen toe, geen scheidsrechter bij nodig, alleen maar de bal op tijd afgeven, te lang pingelen bederft het spel.

Een cultuur van elkaar aan het woord laten voelt goed. Opeens is er een onderwerp, kermis. Hoe kwamen we daarop? Misschien klonk er muziek uit de verte. Herinneringen komen dan spontaan. Mijn schoonzoon die grinnikend vertelt hoe hij, ooit in dienst geweest en schieten geleerd, kansloos was bij de schietkraam, 'met van die kromme buksen'. ''Waar schoot je voor, een roos? Een beertje? Had mijn dochter iets aangewezen?'

Nu wil iedereen wel aan de beurt komen. Mijn partner huivert bij het woord kermis, ze heeft nare kinderherinneringen aan het lawaai, het geschreeuw, het geduw, de geforceerde pret. Kleindochter valt haar bij, kermis is 'horror' vindt ze. Mijn dochter heeft wel een paar leuke herinneringen, zoals 'dat kraampje waar je kadootjes kon trekken aan een touwtje, spannend'. Schoonzoon weer, aangestoken door het woord kraampje, heeft het over 'van die slappe grijpers waarmee je nooit een horloge te pakken kon krijgen'. We huiveren bij die haast vergeten teleurstelling. En eensgezind genieten we na al die jaren nog na van het spookhuis: niet te beangstigend, toch lekker griezelig. En de cakewalk, ook een goeie herinnering. De botsautootjes? Schokkend, letterlijk en figuurlijk en pas leuk toen je ouder was en wat geld had. Het reuzenrad? Niet ter sprake gekomen. Wel het vlooientheater: één keer echt gezien, fascinerend hoe die karretjes van rozendraad aan tuig van paardenhaar onder een vergrootglas werkelijk voortgetrokken werden.

Boeiend of beangstigend, zelf neem ik een middenpositie in, mijn rol als oudste. Angstige herinneringen heb ik genoeg. Zoals die reusachtige schommel aan stangen, waarin een kindermeisje en haar zus me meenamen. Naast onze schommel sprong de kermisman in zo'n zelfde schommel, hij vond die meisjes leuk, wilde ze plagen, zorgde dat hij gelijk met ze opging en duwde ze van opzij tot tegen het tentdak, veel hoger dan ze zelf wilden, ze gilden het uit. Van pret? Van angst? Ik zat gedrukt tegen de houten vlonder, tussen de grote mensen-benen en klemde me vast aan de ijzeren randen. Huilen durfde ik als jongen van vier niet meer, dat was toen nog zo, je kreeg het al vroeg ingeprent van oudere broers.

Hoe anders was het geweest met grote broer Joep, die me, een eerdere kermis, op dat prachtige witte paardje zette en de kermisman een knisperend briefje gaf, zodat ik, onder vrolijk gejank van het orgel, kon meedraaien zolang ik maar wilde. Ondertussen stond hij zelf met een dame (geur van parfum) tussen de mensen vanaf de kant toe te kijken, en af en toe naar me te zwaaien. Weer thuis, dagdroomde ik van dat paardje, het was nu levend en echt en hield van me.

Machtig mooi was ook de stoomcaroussel, jaren later zag ik die terug tijdens een bezoek aan de Efteling, want daar staat ze nu, helemaal intact, compleet met de prachtige geschilderde houten muzikanten in pofbroeken en schoenen met strikken, die mechanisch de maat slaan en trommelen, schitterend souvenir aan een van de mooiste kermissen uit mijn jeugd. Het ronkende geluid van het inwendige orgel dat me ooit angst inboezemde klonk nu alleen maar geweldig, ik kon de zware bassen pijnloos door me heen laten trillen. Kortom, kermis was het feest van het durven en het griezelen; spelen met angst en opwinding, min of meer binnen verschuivende grenzen, voor de latere verteller in mij een onmisbare sensatie.

Elkaar vertellen, zonder podium of theater, lijkt mij een basis voor vertelkunst. In de klas, in de huiskamer en op andere plekken van samenkomst leer je vertellen vooral door te luisteren. In een vertelcursus gevraagd naar voorbeelden herinnert iedereen zich wel een verteller uit zijn jeugd, een oom of een lerares die wist te boeien. Hoe deed die dat? Doorvragen levert vaak aardige ontdekkingen op over expressie, stem, bewegingen en gebaren, woordkeus en andere, misschien vaak onbewuste verworvenheden.
Wat heb jij nog voor herinneringen aan kermis? Ik lees ze graag!

vrijdag 25 oktober 2013

Taaleigen


Dezer dagen ontmoette ik een Picardiër, Dr Jean-Marie Braillon, die de taal spreekt van het gebied rond Bergen (Mons) in België, en delen van Noord Frankrijk. We ontmoetten elkaar op de jaarlijkse dag van de Nederlandse haikuvereniging HKN. Hij was door bestuurslid Rob Flipse uitgenodigd om een uitgave over haiku en humor mede te presenteren in het Picardisch; ik was er om een workshop haibun-schrijven (haiku-proza) te geven. Het Picardisch is een Europese subtaal, die zich door historische omstandigheden niet zoals het Nederlands of Frans of Duits ontwikkeld heeft tot een landstaal horend bij een staatkundige eenheid. Een aantal van die regionale subtalen zijn door een officiële commissie erkend als lid van de grote Europese taalfamilie. Daaronder valt ook Limburgs, mijn eigen streek- of subtaal, die zowat tot mijn vijfde het verbale vervoermiddel was waarin ik met ouders, broers en zussen en buurkinderen alleen maar kon spreken. Mijn moeder(s)taal dus. Ik spreek haar nog steeds wel in de regio. Het geeft, hoe vaag ook, een familiegevoel met overigens geheel onbekenden. Dialectsprekers voelen met elkaar een zekere vertrouwdheid.

Wat ze niet of nauwelijks delen is een gezamenlijke literatuur. Subtalen zijn wat dat betreft achter geraakt. Veel abstracte en nieuwere woorden moeten tijdens het spreken worden ontleend aan de landstaal, het 'AB'. Meestal streven groepen of enkelingen in die subtalen toch naar een geschreven variant om, zeg maar, net als het 'AB', voor volwaardig door te kunnen gaan. In het zo genoemde Westen van de wereld worden talen zonder schriftelijke literatuur nauwelijks voor vol aan gezien. De term dialect heeft mede daarom een negatieve bijklank. Als gevolg, vermoed ik, wordt ook menig regionaal of stads-dialect, zodra zich dat verraadt in een accent, door geboren AB-sprekers als een teken van mindere ontwikkeling beschouwd; min of meer zoals spelfouten nog vaak een slechte indruk maken in een tekst die verder helder en intelligent van inhoud is. Nog vraag ik me wel eens af, als ik in een tv-uitzending een hooggeplaatst iemand hoor met 'zwaar' Limburgs accent, een minister bijvoorbeeld, hoe hij of zij het zo ver heeft kunnen brengen.

Een goed ontwikkelde literatuur is het statuskenmerk bij uitstek geworden voor het aanzien van een taal, ook in haar mondelinge verschijningsvorm. Is in het Picardisch al heel wat gepubliceerd, Limburgs heeft zich schriftelijk nog nauwelijks buiten de carnavalskranten weten te manifesteren. Mondeling vertellen in het Limburgs kan uiteraard net zo makkelijk als in elke taal, omdat vertellerstaal over het algemeen concreet zintuiglijk is. Abstracties en veel nieuwe of latijnse woorden boeien in verhalen niet; een verteller leent toehoorders vooral zijn zintuigen. Strikt genomen heeft vertellen in je dialect of streektaal dus geen last van het ontbreken van eigen literatuur.

Dr Braillon vroeg mij om iets voor hem in het Limburgs te vertalen, in het kader van een project om één zelfde kort verhaal in zoveel mogelijk talen en subtalen te laten verschijnen. Een pikante ervaring. Want zo vertrouwd als mij de woorden mondeling nog zijn, zo vreemd en onhandig wordt die eigen moedertaal opeens als je probeert om ze op schrift te zetten! Ik wil die ervaring hier delen, en andere dialectsprekers vragen of zij die moeite met een schriftelijke weergave van hun moedertaal ook kennen. Ik wil hun resultaat graag doorsturen naar Jean-Marie Braillon, die mij vroeg of ik meer bijdragers voor zijn project kon interesseren.

Het gaat om de volgende fabel, uit het Frans vertaald door Rob Flipse:

HET MUISJE EN DE DIKKE GRIJZE KAT

Een muisje had haar nest gemaakt in een bibliotheek. En zij vond daar alles van haar gading.
De ene dag at zij van Racine, de andere van Aragon. Zo at zij elke dag haar buikje rond.
De biblothecaris kon mooi strooien met giftig graan, ons muisje gaf de voorkeur aan Rabelais.

Toen kocht de bibliothecaris een grote grijze kat. Dat monster had ons muisje snel in de gaten.
Hij probeerde haar vanaf de eerste nacht te snappen, verscholen achter bundels van vadertje Jarry.
Maar daar ons muisje van La Fontaine had gegeten, wist zij dat de kleinsten vaak de sluwsten zijn.
Zij maakte een valstrik tegen de belagende veelvraat. Daarvoor had ze de hele volgende dag nodig:
met boeken van de Oekrainse dichter Makchuko bouwde ze een toren, die op de rug van de kat moest vallen.
Edoch, Makchuko weegt niet zwaar in de litteratuur, zodat de kat er zelfs geen schrammetje aan overhield. Zonder te aarzelen sprong hij bovenop het muisje. Daarmee was zijn taak volbracht, en viel hij met volle maag in slaap.

de moraal ?
Al verslind je alle boeken van de wereld
dan ben je nog niet altijd de slimste.

Hier mijn eigen poging tot omzetting in het Limburgs:

'T MUUSKE EN DE VÈTTE GRIEES KAT

Ei muuske hauw zie nèske gemaagk in de biblioteek
en doa vóng 't al wat zie hertje begièrde.
D'n einen daag oot 't van Racine, d'n angere van Aragon.
Zoea oot 't ederen daag zie buukske rónd.
De bibliotekaris kós sjoean sjtruie mit verguftigen terf zoeaveùl es 'r wol,
oos muuske hauw vöel lever Rabelais.
Toen kog de bibliotekaris zig ein groeate griees kat.
Dat mónster hauw ós muuske gaoew in de loaker.
Hae verzeugde heúr vanaaf de ièsjte nach te sjnappe,
versjtaoke achter bönjels van vake Jarry.
Mae ómtot ós muuske van La Fontaine gegaete hauw
wis 't, tot de kleinste dèk de sjlauwste zin.
't Maagkde zig ein valsjtrik taege dae belagende vraedzak.
Doaveur hauw 't de ganse volgenden daag nuèdig:
't boewde zig einen taore mit beuk van den oekraïnsen dichter Makchuko
dae op de rögk van de kat valle móos
Mae Makchuko waeg neet zjwaor in de litteretuur,
woedoor die kat zelfs gei sjremke d'r aan euverheel.
Zónger aarzele sjpróng sie boaven op dat muuske.
Daomit zien taak volbrag, veel ze mit volle boeek in sjlaop.

De lièr?
Al vrits doe alle beuk van de waereld
dan bès de nog need ummer de sjlumste!

Een lezer met moedertaal Nederlands zal wel wat moeite hebben mijn tekst te begrijpen. Die moeite gold wat mijzelf betreft dus het schrijven: om een taal die me mondeling nog goed afgaat min of meer fonetisch om te zetten in iets leesbaars. Voor zover ik weet bestaat er geen officiële eenheidspelling voor het Limburgs, zoals bijvoorbeeld voor het Fries. Ik moest het opeens doen zonder het vanzelfsprekende gemak van schrijven. Bij elk woord zit je na te denken. Je voelt je onhandig op een terrein dat je beheerst, maar je gereedschap deugt niet: klanken waar je geen letters voor weet, zoals de zachte g-variant die meer naar een k neigt ('ligke' voor liggen, 'maagkde' voor maakte).

De invloed van (gemak van) schrijven op je mondelinge verhaal moet enorm zijn. We kennen het extreem van iemand die 'praat als een boek'; maar ook minder overdreven verzorgd spraakgebruik kent de blijvende invloed van een belezen achtergrond. Wat vindt er dan innerlijk plaats bij vertellers in een taaleigen waar ze geen geschreven woordbeeld bij hebben? Zouden bijvoorbeeld onze Surinaamse en Antilliaanse vertellers in het Sranan of Papiamento hun zo warme levendigheid bij het vertellen niet ook putten uit die directe, haast lijfelijke verbinding met de inhoud? De meeste vertellers van Europees-nederlandse komaf ontlenen hun verhalen grotendeels aan geschreven bronnen. In hoeverre,vraag ik mij af, blijft bij ons 'tekst' daardoor nog ergens tussen het verhaal en de toehoorders staan? Neutraler uitgedrukt, wat is het verschil met 'orale literatuur'?

Het is in elk geval wat ik zelf ooit bespeurde na de eerste onwennigheid om een verhaal voor Nederlands sprekend publiek te vertellen in het meest taaleigene wat ik bezit, mijn dialect; een taaleigen waarin ik nog vaak mijn innerlijke dialoog voer. En waarin ik vermoedelijk bepaalde inhouden van een verhaal nog voor mezelf 'echt'.

Ik ben benieuwd hoe andere mensen met een van huis uit meer mondelinge cultuur dit beleven. Toch eens aan verteller van het jaar Wynand Stomp vragen, of mijn vragen voorleggen aan het Meertens Instituut, centrum voor onderzoek naar volkse cultuur@meertens_knaw

zondag 1 september 2013

Vertellen vanuit je stilte

op het scherp van zwijgen
te woord gaan of niet

Is het je wel eens opgevallen? Op foto's staan vertellers er dikwijls dramatisch op, met een ontzette, wanhopige of overdreven gezichtsuitdrukking en een breed gebaar. Misschien is de instelling van de fotograaf beslissend geweest, maar de indruk is in elk geval weer gewekt dat vertellen een extraverte bezigheid is.
Op het andere uiterste van de schaal, zeg ingetogenheid, schijnt vertellen dan niet zoveel te zoeken te hebben. Is dat zo?
We bespelen in alle kunsten of menselijke expressievormen die schaal, of spanningsboog, van uitbundig tot ingehouden. Dansen, toneelspelen, beeldhouwen, schilderen, dichten, spreken: het kan allemaal in het groot of in het klein.
En dat kan allebei heel mooi zijn. Als je, bijvoorbeeld, bij zangles niet goed uit de verf komt, helpt het om eens te zingen in operastijl. Je wist niet dat je zo'n volume had, en zo'n expressie! Anderzijds kan een regisseur een acteur uitnodigen om een stukje van zijn rol eens 'klein' neer te zetten, waardoor de zeggingskracht soms groter wordt. Een zen-tekenaar kan de behoefte krijgen om eens met verf te gooien. Hoe zit dat met vertellen? De luide stemmen en het grote gebaar imponeren. Sommige verhalen komen juist daardoor over het voetlicht.
Natuurlijk is het genre – sprookje of bijbelverhaal bijvoorbeeld – vaak bepalend voor de stijl of de expressie die je kiest. Er zijn ronduit hilarische verhalen, maar ook heel verstilde verhalen. Ook kun je er voor kiezen om ergens in een uitbundig verhaal van expressie te veranderen.

Toch heerst er vaak een vertelstijl. Voor het herkennen daarvan kunnen de begrippen 'overstatement' en understatement' dienen. In het hedendaags cabaret overheerst de overstatement: grote woorden, vette taal, gepaard aan veel geschreeuw en constant heen en weer lopen. Youp van het Hek is er permanent hees van. Hans Teeuwen en Theo Maasen lijken uit eenzelfde mal te komen, al kunnen ze wel eens gas terug nemen. Herman Finkers is duidelijk anders van stijl, meer in die van Toon Hermans: aanwezig, maar vanuit een eigen stilte.
De mode van de permanente opwinding beïnvloedt vertellers. Er zijn natuurlijk typen vertellers qua aanleg en karakter, zoals eerder geschetst in mijn blog van 8 oktober 2012, maar ik denk toch dat vertellen als expressiekunst nu baat heeft bij een contrapunt op de andere kant van de schaal.
Hoe doe je dat? Door deelnemers aan een cursus uit te nodigen stil te worden vóór ze van wal steken. We zijn gewend meteen 'te woord' te gaan. Zonder dat verbale looprek sta je even te wiebelen op je benen, of je zit te schuiven in je stoel. Kortom stilte is dan eng. Maar na een minuut ben je 'ingedaald', als geland in je stilte.
En kijk: de expressie heeft een opvallende verandering ondergaan.
De camera bij media- en presentatietrainingen leerde mij zien hoe ontspannen de mensen worden van stilte. Lijkt moeilijk in het begin, maar toch: veel makkelijker en goedkoper dan botoxen. Weg spanning, geforceerde glimlach, afgewende houding. Stilte maakt mensen mooi.
Collega's in zo'n oefengroepje beaamden dat vaak. Ze hadden elkaar nog niet eerder zo gezien, even helemaal úit de dagelijkse rol, die we 's ochtends al mét onze kleren aantrekken.
Het algemene druk doen van vandaag heeft natuurlijk een bepaalde achtergrond. Druk zíjn geeft status, je bent kennelijk belangrijk als je steeds kunt zeggen dat je het druk hebt. Veel praten is daar een kenmerk van, en een gemakkelijke manier om er sociaal gezien in elk geval te 'zijn': in de media, in de dagelijkse omgang, maar ook als verteller. Praten is, als wijze van aanwezigheid, dominant geworden. Jezelf presenteren doe je hoofdzakelijk verbaal, zo lijkt de onuitgesproken, collectieve overtuiging. We kennen nog maar weinig stiltecultuur; in de gewone omgang heerst een wijdverbreide angst voor stilvallen, de verbale dobber geeft houvast.
Maar om wat nieuws te leren moet je een onvertrouwd gebied ingaan. Voor vertellers kan een paar minuten zwijgend voor de toehoorders zitten een krachtig hulpmiddel zijn om meer bij zich zelf te blijven; en daardoor juist aanwezig. Niet stoïcijns voor je uit staren, maar open blijven, aanraakbaar, en dat hoeft niet zwaar te zijn. Zodra stilte weer vertrouwd is, voelt het licht om zo te zitten, alsof je van een last bevrijd bent en dat is waarschijnlijk ook zo. De last van aan het woord te moeten zijn.
Het tweede deel van deze stilteoefening is dus om in het contact te blijven. Je opsluiten geeft een tijdelijke steun, 'ze kunnen je niks maken'; maar prettig is anders. Open blijven en toch bij je zelf is de kunst van het midden, van innerlijk evenwicht.
En als je dan begint om vanuit die open stilte te vertellen, heb je de toehoorders al rustig in je opgenomen, onbevangen, in de ruimte die is ontstaan. Je hebt de aandacht, en merkt dán ook pas, dat werkelijk alles een verhaal kan worden. Verteld vanuit een zo gegroeide stilte, wordt ook een kleine, onopvallende belevenis het beluisteren waard. Er zijn dan geen oninteressante verhalen meer.

Ik heb bij deze oefening nog een andere belangrijke ontdekking gedaan. Verlegen mensen blijken in aanleg vaak boeiende vertellers. Als ze in een veilig klimaat (en een groep die met stilte werkt wordt veilig) gaan vertellen, ervaren ze, soms voor het eerst, dat er echt naar ze geluisterd wordt. Terwijl ze vertellen, blijft die eigen stille kern voelbaar, ook voor de luisteraars. Vertellen krijgt zo meer diepte.



vrijdag 19 juli 2013

Oude verhalen


Leerverhalen zijn feitelijk óude verhalen. Een recente ervaring, hoe vaardig ook verteld, is doorgaans nog geen leerverhaal zoals hier bedoeld (zie vorige blog), omdat recente ervaringen nog verwerkt moeten worden. Een leerverhaal is in wezen iets wat allang verwerkt is, het is duizend keer verteld, misschien komt er af en toe wat bij, iedere verteller vertelt het weer op zijn/haar manier, al naar gelang de situatie, de persoon aan wie hij het vertelt of de groep of klas, en het moment of de bijzondere gelegenheid. Maar de kern blijft onveranderd. Vaste bouwstenen zijn, min of meer, het verloop of de 'plot', en de uitkomst of 'pointe'. Maar allerlei andere elementen, met name plaats en tijd kunnen variëren al naar gelang de behoefte.
 
Ik hoorde het vertellen in mijn jeugd. Vrouwen zaten in de keuken te kletsen. Van één vrouw werd verteld dat ze op een zomeravond bij een vriendin op bezoek was in het naburige dorpje. Toen ze zag dat het al begon te schemeren stond ze haastig op. Ze wilde voor donker thuis zijn, ze was te voet, wat in ons Limburgse heuvelland soms makkelijker is dan met de fiets. Onderweg zag ze een bekende uit eigen dorp, en vroeg of ze met hem mee mocht lopen. Bij het passeren van het kerkhof gaf ze hem een arm en vroeg: bent u nou nooit bang in het donker? Och, zei de man, toen ik nog leefde wel natuurlijk.

Dit verhaal is universeel, het wordt verteld in Afrika net zo goed als in Latijns Amerika. Elke verteller past het weer aan zijn gehoor aan, maar die schrik, het griezelgegeven van een dode die zich onder de levenden blijkt te bevinden, hoort er altijd in.

Griezelen is een behoefte die je al heel vroeg bij kinderen merkt. Ik vermoed dat het 'kippenvel' ons door het contrast nou juist doet genieten van de veiligheid die we hebben, en waarin het verhaal toch feitelijk verteld wordt. We schurken bij elkaar, in het halfdonker of bij het haardvuur, of vertellen elkaar griezelverhalen in bed. Je slaapt er goed op want het gevoel van geborgenheid wordt erdoor versterkt. Probeer het maar eens uit.

dinsdag 2 juli 2013

Leerverhalen *)


Er is een type verhalen dat me soms van pas komt als ik ergens mee in de knoop zit, en dat ook bij cursussen in vertelwerk altijd goed dienst heeft gedaan. Ik noem ze 'leerverhalen' omdat ze in de cultuur waar ze aan ontleend zijn ook die bedoeling hebben, om langs de omweg van het vertellen iets duidelijk te maken wat met directe uitleg vaak mislukt. Uitleg krijgt nu eenmaal vaak de toon mee van vermaning of terechtwijzing; dat roept weerstand op bij de toehoorder die je iets wil doen begrijpen. Onderwijzend of vermanend, schiet je als verteller meestal je doel voorbij. Elke ouder in onze samenleving heeft wel ervaren dat je een puber met goed bedoelde voorbeelden lang niet altijd overtuigt.
Troost is misschien dat hij/zij zich de goede bedoeling wél jaren later nog kan herinneren, en ter harte nemen.
In zg.oosterse culturen is men veel minder alergisch voor het onderwijzende vingertje van vermanende vertellers. Die openlijke 'bedoeling' doet daar nog geen afbreuk aan het impliciete karakter van een goed verhaal. De functie van het onderwijzen- met- verhalen is in het spreekwoordelijke oosten nog algemeen aanvaard, en wordt weerstandsloos herkend. Denk bijvoorbeeld aan de joods-chassidische vertellingen, de leerverhalen van de Soefi's, de anekdotes uit de zen-literatuur, of de oud-christelijke verhalen.
Met 'impliciet' bedoel ik hier dat een verhaal iets duidelijk kan maken wat niet voor uitleg vatbaar is. Uitleg ontkracht een verhaal, het is een vorm van reductie, d.w.z. het terugbrengen van iets subtiels naar een simpeler niveau. Maar daarmee is het subtiele dan wel verloren. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de ware bestaansreden van verhalen is, dat zij ons informeren over zaken die niet voor uitleg vatbaar zijn.
Verhalen doen dat door een parallelle werkelijkheid te scheppen, een verbeelde wereld, waarin de oplossing van een probleem voorhanden is, waar we in de gewone werkelijkheid in zouden vastlopen. Moeizame gesprekken bijvoorbeeld die tot conflicten leiden, kunnen door een enkel verhaal, mits op het juiste moment verteld, overbodig worden.

Twee monikken ontmoeten elkaar terwijl ze allebei op weg zijn naar een klooster waar ze zijn uitgenodigd om een lezing te komen geven. Tanzan is een levensgenieter, Ekido is streng in de leer. Als het onderweg begint te stortregenen, blijkt de beek waar ze overheen moeten een krachtige stroom geworden. Een meisje staat huilend aan de kant, ze durft er niet meer over. Ach kind, zegt Tanzan, kom, ik draag je wel even.

Als de twee in het klooster aan de thee zitten zegt Ekido: broeder, is onze kloosterregel niet dat wij geen aandacht aan vrouwen besteden? Antwoordt Tanzan: ach broeder, draag jij haar nog steeds met je mee? Ik heb haar achtergelaten bij de rivier (zen).

*) Gepubl. in Schreef, blad van Taalpodium Utrecht/Zeist. Juli 2013

zondag 9 juni 2013

Vertellen als geheugentraining


Stel je bent oud. Dan heb je repertoire, is mijn stelling. Dat klinkt heel wat frisser dan het gezeur over dement worden, een flauwe reactie die ik nogal eens hoor als een oudere iets vergeet. Afgezien van heuse dementie werkt dat negatief in op het juist zo kostbare geheugen van ouderen. Ouderen zijn, mits ze zich daarvoor open stellen – en mits er naar ze geluisterd wordt – wandelende vertelboeken.
Vertellen zonder (z)weetdruppeltjes, zonder rimpels in het voorhoofd of strak opengesperde ogen, zonder inspanning dus: daar word je mooi oud mee. Mooi oud worden lijkt mij namelijk voor een groot deel een kwestie van anders – voordeliger – omgaan met je energie. Bijvoorbeeld met je geheugen. Je zegt niet steeds dat je zoveel vergeet, je gaat juist, al vertellend, verdiepen wat je onthoudt. Je hebt ‘een geheugen als een zeef’, en accepteert dat het zo ook voor je werkt: wat je nodig hebt blijft erin, en je hebt het paraat als het te pas komt.
Vrijuit vertellen kan, zo opgevat, juist voor ouderen een manier zijn om het geheugen te trainen. En een manier die het niet opnieuw belast! Door bijvoorbeeld deel te nemen aan een vertelkring groeit hun repertoire, omdat het ‘zaad’ allang - nog altijd - in de grond zit: dat is de herinnering, die met wat aandacht uitgroeit tot een anekdote.
Luisteren werkt daarbij als regen op woestijngrond. Aandacht doet het vertellen groeien...
En soms is er dat extra beetje begeleiding gewenst, die zorgt dat je niet ‘doorschiet’. Want zo dadelijk moet je zelf weer luisteraar zijn: er zitten immers nog meer vertellers die avond, zeker nu ze jou hebben gehoord!
 Het is dus ook weer niet zo dat ouderen niets hoeven te leren. Timing en dosering zijn de belangrijkste technieken die nog wel eens wat liefdevolle begeleiding vragen. Een docent die je vertrouwt is wat dat betreft goud waard, iemand die je niet bekritiseert of afkapt, maar helpt om jezelf daarin te sturen. Zelfsturing - jezelf al vertellend bijsturen - wordt onder goeie begeleiding net zo'n plezier als autorijles voor gevorderden.
Je geheugen gaat dus vooruit van vertellen, zelfs als je al flink oud bent. Bij de methode van het vrij vertellen hoef je namelijk niet alles letterlijk te onthouden, wat onnodige belasting voorkomt. Je herontdekt wat je al weet aan verhalen. En dat is altijd veel meer dan je dacht; je hebt het alleen laten verstoffen. Je hebt een ‘olifantengeheugen’, en dat zeker niet alleen voor wat je eventueel is aangedaan (daar slaat die uitdrukking nogal eens op), maar net zo goed voor de leuke dingen, de gekke voorvallen en de vele dierbare momenten en ontmoetingen in je leven. Je ontdekt dat er eigenlijk geen dag uit je leven is - hoe saai dat ook lang geleken heeft - die niet de moeite waard is om geleefd te hebben, en te worden verteld.

Door je flarden herinnering liefdevol op te pakken en ze de plek te geven die ze verdienen, maak je tegelijk ruimte voor nieuwe verhalen. Dat is het eenvoudige geheim van ‘vertellen in de vrijloop’, zoals ik het ook wel eens noem. En nieuwe verhalen liggen zogezegd op straat; elke dag levert ze aan.

maandag 13 mei 2013

Een bewegend blad



Mijn leven bij De Nieuwe Linie *)

Als het team van toen vandaag een nieuwe DNL zou maken, zou het moeten gaan over het gevaarlijk spagaat tussen arm en rijk, lijkt mij. Maar ik kies voor een terugblik.
DNL was voor mij een bevrijdende krant. Ze viel een keer in de bus, Nijmegen medio '60 in de week dat er net een bijeenkomst bij mij plaats vond met Ton Regtien van de studentenvakbond. Ik was niet onder de indruk, zat denk ik nog 'geframed' in burgerlijkheid, beginnend scheldwoord in die dagen. Strijd met de schoonouders over mijn huwelijk had geleid tot iets 'eigentijds' met beatmuziek; in de kerk, dat nog wel. Studentenvakbond klonk me te tegendraads.
Maar de militante toon van DNL - 'maatschappijkritisch' – sprak me wél meteen aan. Kritisch, maar minder hardvochtig. Er zat beweging in. Ook als voorzitter van de Nijmeegse KVP-jongeren toen, voelde ik het elan van die tijd, behoudend gericht maar er groeide daar al een wat lossere levenshouding: niet meer elke zondag naar de kerk gaan bijvoorbeeld. Condooms betrekken via de Rutger-stichting. Afstuderen in gewoon pak.
Zo had het nog wel even kunnen doorgaan met stilzwijgend aanpassen, als er geen gangmaker was geweest, DNL! Het blad maakte een bisschop tot Nieuws, Mgr Beckers, die de uitgetreden jezuïeten, redacteuren bij DNL, onder zijn hoede nam, maagdelijkheid vóór het huwelijk bespreekbaar vond, die van Maria ter discussie stelde, en het celibaat van de priesters! Pogingen om thuis over zulke geloofszaken te praten waren allang verzand. Mijn vader ontving nog De Linie, een mooi maar conservatief blad, historische voorloper van DNL en daar werd je niet kritisch van.
DNL versnelde de tijd. Ergens tussen '66 en '69 voltrok zich mijn late bevrijding van de banden met kerk en opvoeding, een overstap van KVP naar PPR, later naar PSP. Er was opeens te kiezen, de polderieke orde van de jaren vijftig werd caleidoscopisch, alles zinderde. Ik verruilde een baan in Den Haag – welzijnsonderzoek – voor die van redacteur bij DNL, waar ik al enige jaren in schreef over de 'derde wereld'. Regelmatig meedoen met de redactievergaderingen hadden me rijp gemaakt voor de sprong van het saaie Den Haag naar het zoveel levendiger Amsterdam. Een complete verhuizing was dat, en net op tijd om midden in 'de beweging' te staan. Ik onderging er hoe een 'softe' revolutie uiteindelijk niets onberoerd laat, ook je eigen leven niet. Iets onschuldigs als de missiekalender leidde tot kritiek op missie en zending en strekte zich tenslotte uit over alle internationale verhoudingen: Vietnam, Angola, Mozambique, Indonesië, de hele wereld moest van ons worden bevrijd!

Beweging, het was zo onschuldig begonnen. Beelden van de Beatles, keurige jongens als je ze terugziet op tv. Maar bij wat aanvankelijk een lieve kleine revolte onder de jeugd had geleken, langs lijnen van muziek en soft drugs, voegden zich steeds duidelijker inzichten over onze wereld van na - de – oorlog; het 'discours' verhevigde – in de jaren '70 - van binnenlands gekrakeel over haardracht en kleding tot mondiaal activisme: rugzakken verzamelen voor Angola bijvoorbeeld.
Eén groeiende tegenstelling viel daarbij op: tussen een ludieke tegenover een zich meer verhardende aanpak. Ik geef ze een gezicht: Roel van Duyn tegenover Ton Regtien, zoals ik ze in ons stamcafé De Eland een keer bij elkaar bracht. Die laatste werd, weten we nu, fors aangemoedigd en gesteund door centralistische tendensen vanuit het toenmalige Oostblok, al is dat nooit goed in kaart gebracht. In elk geval werd, wat hier onder de jeugd klein was begonnen, deels ongewild, deels bewust, speelbal van veel grotere krachten.

en dan nog: de democratisering!

Viel de vernieuwingsbeweging door die tweespalt uit elkaar, wat haar in schijn nog verbond was het toverwoord 'democratisering'; maar hoe ver kon die gaan? Tot in de boezem van DNL, zo bleek: moest er wel een hoofdredacteur zijn? Ook elders ontstonden er initiatieven voor democratisering op alle levensgebieden, die vaak net zo doorschoten. Indrukwekkend voorbeeld was de gehandicaptenzorg in Dennendal, waar Den Uyl zich bijna in verslikte.
Tenslotte de doorwerking in de privésfeer: eenmaal in gang gezet leek de democratiseringsgekte niet meer te stoppen. Want hoe stond het met huwelijk en gezin, ondervroegen ons sommige ideologen? Werd het niet hoog tijd ook in de boezem van ons samenleven de ondemocratische verhoudingen tegen het licht te houden? Ook daar dramden we door. Hoezo een huwelijkspartner als bezit? Baas in eigen buik, jawel, maar dan ook in de eigen relatie, werd het adagium van de zoveelste vrouwenbeweging. De seksuele revolutie (Sextant, Van Ussel) en de opvattingen over antiautoritaire opvoeding (crèches) lieten tenslotte geen levensgebied onberoerd.

We hebben het geweten. Het bleef geen 'lente': de weersomslag die zich in de jaren zeventig voltrok, de groeiende tendens tot gelijkhebberij en weldadigheid verdreef de verwaterde resten 'flowerpower' naar uithoeken als Ibiza. Verharding diende zich aan op alle levensgebieden. Onder studenten trok een zelfbenoemde elite, naar voorbeeld van de Oostbloksystemen de macht aan zich, met Marx, Lenin & Mao als profeten. Tegenover het zo verguisde establishment – hoogleraren, burgemeesters – groeide de beklemmender macht van het centralisme. Verharding én verwording gingen hand in hand. Soft drugs werden verkapte hard drugs; studentenzelfbestuur moest grotendeels worden teruggedraaid. Politieke actie liep uit op politieke moord, de vrouwenbeweging verzuurde, echtscheidingen belastten talloze levens en de vrije liefde bleef een onoplosbare tegenstrijdigheid.
De Nieuwe Linie hield bij dit alles ondanks interne conflicten nog jaren koers. Het blad was geen journalistieke reus, maar ook niet onbeduidend. Voor mij toonden de interviews die ik kon houden in Zambia met leiders van Afrikaanse bevrijdingsbewegingen, dat onze betekenis als spreekbuis van de verandering ook elders werd erkend.
Maar 'de beweging' verhardde niet alleen, ze ebde ook weg. Het elan om ons heen verliet ons. Zelf verliet ik het moeizaam voortstuwende scheepje voor een baan aan de school voor de journalistiek. Collega-redacteuren vonden andere, goede journalistieke functies.
Elke vernieuwingsbeweging eet zijn eigen kinderen op, is bekend. Wij ondergingen het. Eén gevoel blijft me bij, respect voor het blad DNL van toen, voor volharding en bewezen moed.


*) Mijn bijdrage aan de Volkskrant-special van 8 mei jl. Zie voor de artikelen van collega's uit die tijd (de 'Rolling Stones' van de journalistiek!): vk.nl/nieuwelinie.

zondag 12 mei 2013

De verhalenmachine



We zouden in onze tijd het einde beleven van de 'grote verhalen', luidt een bekende opvatting van hedendaagse Franse filosofen en hun navolgers. Met grote verhalen bedoelt men dan de traditionele, geestelijke verbindingen tussen ons allemaal, als lid van een samenleving. We zijn bezig die in ras tempo te verliezen, zoals kerk en christendom, algemeen burgerlijk fatsoen, en daaronder vallen dan weer grote vanzelfsprekendheden als respect voor ouderdom, voor kinderen en gehandicapten, voor moederschap en gezin: allemaal minder belangrijk geworden dan bezit, dan carrière.
Hoe dat in zijn werk gaat weten we. We doen elkaar na, willen liever niet opvallen en nemen graag een voorbeeld aan bekende mensen en machthebbers; mits die laatste hun tijd verstaan en niet al te zeer tegen de heersende mode in gaan, want dan krimpt die macht. Zo is er nogal wat afgelachen over 'gezin als hoeksteen van de samenleving'. Collectieve spot is het begin van het einde van een dergelijk 'groot verhaal'. Daarbij voegen zich dan talloze onderzoeken die aantonen hoeveel ellende er juist in en door gezinnen ontstaat.
Eerbiedwaardige instituties slijten op den duur, net als het stevigste tapijt als men er maar lang genoeg op loopt. Kerken leeg, ouderen niet zielig maar juist rijk en gesetteld, vrouwen moeten zoveel mogelijk in het arbeidsproces terecht komen. Veranderingen, is daar wat tegen?

Wat ik hier als verteller tegenin wil brengen, is dat die afbreuk van 'grote verhalen' toch ook weer een hervertelling betekent, van nieuwe grote verhalen. Want we kunnen niet zonder. Luister in dit verband vooral naar onze politici, die daarin als aartsvertellers het voortouw nemen. Zij hebben groot belang bij wat ze mensen kunnen laten geloven. Daarom vertellen zij, zich zeer bewust van de kracht van verhalen. Wie de media volgt kan ze dagelijks horen: dat haast dwingend vertellen, getuigend van grote nieuwe verhalen in de maak. Men noemt het tegenwoordig 'framing'.
Een voorbeeld was natuurlijk gisteren in dagblad Trouw minister Jet Bussemaker, die vindt dat het nou maar eens afgelopen moet zijn met dat schuldgevoel van vrouwen tegenover hun gezin, zodra ze een baan nemen in plaats van thuis te blijven. 'Laten ze zich liever schuldig voelen tegenover de staat, die immers een groot deel van hun studie heeft betaald!' Ergo: schuldgevoel is prima, maar dan liever wel als instrument binnen een ander, nieuwer verhaal dan waar de meeste vrouwen nog altijd in zijn opgegroeid, en waar ze waarschijnlijk het dichtst bij zijn met hun hart: een veilige plek voor kinderen. Het schuldgevoel (juist de grootste last) mogen ze meenemen, graag zelfs, maar in een nieuw 'frame'.
Vooralsnog is dat een wat vreemd klinkend, nieuw groot verhaal over en voor vrouwen. Het roept dan ook veel reacties op. Volgens vertellers als deze minister hóren vrouwen in het arbeidsproces, ze verheft die visie door haar woordkeus tot fatsoensnorm. En daaruit volgt dat gezinszorg geen deel is van het 'arbeidsproces'. Huisvrouwen moeten zich schuldig voelen tegenover de staat die hun studie en daarmee hun emancipatie bekostigt.

Schuld en schaamte zijn in elke cultuur en samenleving machtige instrumenten om mensen in de pas te laten lopen met het algemeen goed of nut zoals dat door de machthebbers gezien wordt. Gelukkig hebben we allemaal het recht om mee te vertellen, verhalen te herschrijven. Zo zou ik willen mee vertellen dat vrouwen natuurlijk alle recht hebben op een baan, op betaald werk. In mijn verhaal zou de opvatting hersteld worden dat het daarbij dan wel zoveel mogelijk gaat om passend werk. En dat de keuzevrijheid van vrouwen daarbij geen nodeloos geweld wordt aangedaan door 'framing': een suggestief, vertellend aansturen op fatsoen, vanzelfsprekendheid en schuldgevoel. De keuze voor elkaar én het gezin, zowel voor man als vrouw, blijft in mijn verhaal primair. De kost verdienen zou nooit ten koste mogen gaan van die bestaansbasis. Daar hoort niemand zich schuldig over te moeten voelen. Zeker niet tegenover 'big brother' de staat!
Tevens hoort bij mijn verhaal de keuze van steeds meer 'postmoderne' mannen om een deel van de gezinstaken op zich te nemen ook als dat binnenwerk betekent, en ze daarvoor een deel van hun eigen maatschappelijk functioneren op moeten geven. Ook zij liefst zónder schuldgevoel over verlies van hun mannelijke positie als kostwinner, en de schaamte voorbij

moeder bij je graf
voel ik mij onbeholpen
hier zijn wat bloemen

zondag 14 april 2013

Vertellen als kinderen



Als kinderen vertellen, lijken ze soms oeroud. Ik bedoel niet dat ze een ‘ouwelijke’ indruk maken, zoals je wel eens met pubers hebt die te grote woorden in de mond nemen en gewichtig doen; ik doel op de diepe ernst van minimensjes. Die onverdeelde aandacht waarmee de woorden nog tot stand komen. Ze toveren met taal. Gekeken naar een kind van drie dat met haar oma belt. Ondertussen frummelt ze aan haar knuffel. Dit is geen kinderspel. Oma moet alles weten, maak ik op uit deze kant van het gesprek... Zij hier, oma ver? Stukken leven haalt ze naar zich toe. Ze plakt en rijgt met woorden. Verse woorden, die net van de boom vallen.
Zo moet het in de eerste mensentaal zijn geweest. Met klanken iets te voorschijn roepen. Uitbeelden wat je gezien hebt; of nú ziet, zoals dit kind aan de telefoon. Want het wijst nog naar dingen in de kamer, voor het begrijpt dat oma die niet kan zien.
Vertelde ooit de oermens zo? Van wild, wind en wolken? Hij wees naar kleuren, had gezien waar nog bessen groeiden en trok de stamgenoten mee in een soort bijendans…Hij was daar geweest, en sloeg een brug naar hier met klanken.
Toen ik een tijd kinderen van school haalde vertelden ze terwijl we naast elkaar fietsten aan een stuk door. Over wat een jongetje had gedaan, wat de juffrouw had gezegd, over… Ik luister half; vraag me af waarom het gebabbel maar doorgaat. Dan in een flits snap ik dat ze hun wereldje, dat urenlang was opgedeeld, gevoelsmatig aan elkaar knopen. School en Buiten worden met woorden ‘geheeld’.

Ook oude mensen vertellen zich heel, trachten dat althans, er moet natuurlijk geluisterd kunnen worden, ze geven alles wat er in hun leven gebeurd is een plekje. Woonplaatsen, opleidingen, banen en relaties, ze keren als boten vol herinnering terug naar de haven, d.w.z. het gedeelde heden van verteller en luisteraar, een helend delen.
En allemaal ‘waar gebeurd’, want immers zó beleefd. (Beleven als ‘believing’). Flarden (van ‘hoe was het ook weer?’) worden aangevuld met het cement van actuele betekenis. Want ik ga er niet van uit dat wij, vertellend, de wereld zien zoals hij werkelijk is of was; noch van binnen noch buiten ons. We gieten er ‘betekenis’ bij, om de anders zo zinloze chaos van het bestaan te kunnen verdragen. Daarom geven we alles een plek.
Daarom ook moeten we blijven vertellen. Vertellen zonder inspanning, zonder (z)weetdruppeltjes; en daar mooi oud mee worden. Als kinderen.




zaterdag 30 maart 2013

Vertellen in opdracht



'Alles vertelt een verhaal'... Is dat een open deur?
Nee hoor. Want het is nog maar de vraag of al die verhalen ook door iedereen kunnen worden gehoord, d.w.z. begrepen of verstaan. Alles om ons heen fluistert ons verhalen toe die wij doorgaans niet eens horen, druk als we zijn met onszelf, onze problemen, of onze behoeften van het moment. 'Alles vertelt' is dan ook figuurlijk bedoeld, zoals in: 'als deze boom kon vertellen'... De boom van Anne Frank bijvoorbeeld, die alles 'gezien' heeft. Of de ginkgoboom van Hiroshima die de atoomaanval overleefd heeft.
Maar wie hoort die verhalen dan wél, en geeft ze alsnog door? Dat zijn de kunstenaars onder ons, mensen met een bepaalde creativiteit; het vermogen om te horen of te zien wat anderen ontgaat. Het is van alle tijden dat er mensen zijn die een zekere gave of aanleg hebben om figuurlijke (d.w.z. niet letterlijk-verbale) verhalen in woorden en beelden om te zetten. Toekomstvoorspellers, sjamanen, dromenuitleggers: zij 'lezen' die verhalen en zetten ze om in taal. Een Navaho-medicijnman leest iemands kwaal, vraag of probleem in een zandtekening die hij daartoe maakt. Joseph, zoon van aartsvader Jacob uit de bijbel, duidde de dromen van de farao.
Minder indrukwekkend misschien, speelser zijn de talloze voorbeelden van vertellers die voor kinderen optreden, en stemmetjes geven aan knuffels of andere fantasiewezens. Maar ik ben ervan overtuigd dat het in wezen gaat om dezelfde, creatieve bron in ieder van ons. Het blijkt dan ook steeds weer dat kinderen die aanleg ook hebben, en spontaan kunnen gaan meevertellen.
En volwassenen? Die kunnen hun 'innerlijk kind' behouden hebben: 'Mij spreekt de blomme een tale', citeren we graag de Vlaamse dichter Guido Gezelle. Hij leerde ons dat de natuur 'spreekt' (=vertelt); maar dat geldt ook voor de dingen, gevormd door duizenden aanrakingen van mensen: ook zij vertellen hun verhaal. Een oud stuk gereedschap bijvoorbeeld vertelt zijn verhaal voor wie er gevoelig voor is. Er zijn vele heldervoelenden onder ons die jou een deel van je levensgeschiedenis kunnen vertellen aan de hand van zo'n voorwerp dat je lang bij je gedragen hebt.
Oefening: neem het eerste voorbeeld uit je directe omgeving waar je nu aan denkt; hou het in je hand en laat het vertellen...
Doorgaans is een vraag die je stelt of toch al met je meedraagt, aanleiding en verdere gids om zo'n verhaal te kunnen vertellen. Heb je een gast, dan kan het een vorm van wat diepergaand contact zijn om elkaar zo te vertellen, over een dierbaar ding in je woonruimte. De kunst is, al vertellend de beelden te vertrouwen die bij je opkomen, je intuïtie daarbij te laten spreken en zo een lijn te gaan zien...

Een bijzondere vorm van dit intuïtieve, vertellend duiden maak ik af en toe mee als mijn partner, Dorine Haveman, een bloemen-reading voor iemand doet, aan de hand van de foto van een bloem. De vraagsteller is door een bloem in zijn/haar omgeving getroffen, maakte er een foto van en stuurde deze op. De vraag die de inzender bezig houdt kan erbij gevoegd zijn, maar mag ook impliciet gebleven zijn. Het gegeven dat juist deze foto zó gemaakt is, en opgestuurd, impliceert de vraag. Ik vraag haar om voorbeelden. Dorine:
“Wanneer ik van iemand een foto van een bloem krijg, weet ik dat deze bloem de inzender spiegelt. De bloem spiegelt het heden, geeft een venster op het verleden en een blik op een mogelijke toekomst. Zo’n bloem toont zich een bondgenoot, heeft geen oordeel, maar steunt de inzender met de positieve, zachte kracht van hun ontmoeting. Hiervan heb ik voorbeelden genoeg. Een zee-aster, gefotografeerd op Rottumeroog, bemoedigde een vrouw meer aandacht te geven aan haar gevoel. Hij bevestigde haar idee dat ze alleen stond in haar interesses en ontwikkeling, maar vertelde haar ook dat dit niet veel langer meer zou duren. Haar naasten stonden op het punt eenzelfde ontwikkeling mee te maken als zij. De zee-aster drukte haar op het hart dat zij nu voor zichzelf even zorgvuldig en aandachtig moest zijn als voor een ander. Dat ze daar ook tijd voor mocht uittrekken. Een pioenroos liet een vrouw zien hoe ze in een verwarrende tijd leeft waar de heftige tegengestelde gevoelens elkaar snel afwisselen. Ook hielp het verhaal dat deze pioenroos haar vertelde haar zichzelf meer te beschermen en te beschutten, en meer aan haar eigen behoefte aan rust toe te geven. Speenkruid vertelde een vrouw dat zij er goed aan had gedaan te ontstijgen aan al te heftige emoties. Haar kinderen waren uit huis gegaan, en ook had zij haar baan verloren. De bloem complimenteerde haar dat zij haar negatieve gevoel had losgelaten en nu veel meer vertrouwde op haar gezonde verstand en gevoel voor redelijkheid”.
Zijn bloemen altijd lief en aardig?
“Een bloem kan ook confronteren: een klaproos liet zien hoezeer vrienden altijd klaar stonden voor iemand die dat niet opmerkte, of daar eigenlijk nooit over sprak. Dat gesprek is er toen natuurlijk wel gekomen. Ook kan een bloem aandacht vragen voor een lichamelijk probleem. Een hibiscus met een bijzondere kleur vroeg aandacht voor de ogen, waar iets mee aan de hand was.
Het is heel bijzonder wat een bloem die eenmaal de aandacht heeft gevangen, vertellen kan. Hij spiegelt gedachten, bezigheden, omstandigheden, emoties, gezondheid, levenshouding en levensgeschiedenis. Maar daarbij zijn deze ontmoetingen toch vooral een steun en geven helderheid, extra energie en inzicht... Is het niet wonderlijk dat de bloemen in je directe omgeving zo met je meeleven?”
Ja, denk ik dan, maar wel met dank aan de bloementolk!


vrijdag 18 januari 2013

Vertel je sterk!


Vertellen met een doel, 2

Opscheppen doen we allemaal wel eens. Meestal vinden we dat van onszelf niet netjes. Het kán, als grap, het is natuurlijk ironisch bedoeld, maar ondertussen...Toch tref ik nu een manier aan om eens gezond op te scheppen: laat het iemand voor je doen! Zeker als vertellen niet je sterkste punt is, is gezond opscheppen een kunst. Nee, het gaat niet om een complimentje, of pluimstrijkerij, maar om een waar verhaal (want goed geschreven) door niemand minder dan Poelika, een ervaren schrijfster, en bovendien speels, slim en grappig. Dit is haar voorstel aan jou:


Droomheldverhaal

'Ik ben een held in het diepst van mijn gedachten...' (een variatie op Willem Kloos).

Het is heerlijk om weg te dromen bij verhalen over helden en heldinnen die dingen doen en kunnen die jij nooit voor elkaar zult krijgen. En waar je trouwens in het echt ook te lui/onhandig/angstig/conservatief voor bent. En ook al weet je dat jij nimmer zo'n held zult zijn, toch fantaseer je er weleens over dat alles je lukt, dat iedereen je leuk vindt, of lief, of knap, of alles tegelijk. Dat je bewonderd -of gevreesd- wordt en geliefd bent.
Hoe zou je het vinden om weg te dromen bij een verhaal waarin jij nu eens de held was?Vertel mij waar je van droomt, wat je zou willen doen, wat je zou willen kunnen. Waar je niet goed in bent, waar je bang voor bent. Wat je niet zo leuk vindt van jezelf.
Ik schrijf een verhaal met jou in de hoofdrol. Als held.
En geloof het of niet: als je het leest, zal het net echt zijn. Het zal zijn of jij echt zo dapper, zo goed en zo handig was, en of je echt al die dingen hebt meegemaakt.

Voorbeelden
Wie fantaseert er nooit dat hij een held is? Sterk, gewiekst, charmant en toch ook zo diep-menselijk als James Bond? Dapper en slim als Wiske? Bloedmooi en onoverwinnelijk als Lara Croft? Of droom je weleens dat jij eigenlijk een prinsesje was, dat liefdevol is opgevoed door gewone mensen maar op een dag zal worden opgehaald door de koning en koningin? Ben je in je verbeelding een lenige kat, een schitterende poema, een edel paard of een betoverende eenhoorn? Een ruimtereiziger of piratenkapitein? Of wou je wel eens, heel eenvoudig, dat je wat minder bang was voor spinnen, honden, lange mensen, stoere mensen, succesvolle mensen, luidruchtige mensen, je baas of enge feestjes? Baal je soms dat je lui bent, niet zo ambitieus, niet zo rijk, niet zo handig, niet zo vergevingsgezind, aardig, sterk, vrolijk, slim, slank, breed, dapper of grappig? Heb je van die dromen waarvan je weet dat ze nooit uit zullen komen? Dat je beroemd zanger was, danseres, skischansspringer, courtisane, gigolo, presentator of wetenschapper?
In een verhaal kan alles.
Ik schrijf jouw heldenverhaal. Lees het. Droom erbij weg. Nieuwgierig? Ook naar Poelika's eigen verhaal? Lees verder


woensdag 16 januari 2013

Vertellen met een doel



Als we vertellen, schuiven we vaak wat dichter naar elkaar toe, soms letterlijk: “Vertel eens, hoe is het gegaan?” Uit onze lichaamstaal blijkt vaak hoezeer vertellen een sociale bezigheid is.
Toch vertellen we niet alleen voor het plezier. Met de herleving van deze oude kunst ontstaan allerlei vertakkingen onder het motto: waar kun je vertellen zoal voor gebruiken? Het is een (zenuw)trekje van onze tijd, dat we graag overal het nut of de toepassing van zoeken. We ontdekken dat je een verhaal kunt toesnijden op een bepaalde behoefte, om iets over te dragen of duidelijk te maken wat met informeren alléén niet zou lukken. Het gaat meer om aanvoelen dan om op te hoogte te zijn van de feiten. En het gaat om motivering van mensen om ergens in te veranderen.
Geen 'briefing' dus, maar alleen een goed verhaal kan daartoe inspireren; louter informatie op basis van feiten en gegevens kan weliswaar helpen om de realiteit te kennen, maar vreemd genoeg niet motiveren om er ook iets aan te doen.
Een voorbeeld zijn de stapels harde feiten over de milieuproblemen. We knikken van ja en draaien toch die verwarming niet lager, of eten lekker door aan blauwe tonijn die met uitsterven wordt bedreigd. Een goed verhaal verleidt om in beweging te komen, al hoeft dat uiterlijk niet direct duidelijk te zijn. Want dat is eigen aan motivatie: mensen komen eerst innerlijk in beweging, en zetten dat op den duur pas om in handelen.
Een verhaal bevat altijd meer dan beschrijving en uitleg: impliciet reist een boodschap mee. Het is de bekwaamheid van de verteller hoe hij die verpakt: niet te vet, liever licht en speels, soms zelfs door de 'moraal van het verhaal' er met een kwinkslag aan toe te voegen. Dat maakt vertellen een instrument ('tool') voor de overdracht van subtielere informatie, die met expliciete uitleg verloren zou gaan.
Daarom ook heeft een goed verhaal een verteller nodig, die weet van 'brengen'. Vertellers zijn specialisten. Ze kunnen zich bekwamen op een gebied. Denk bijvoorbeeld aan verhalen maken voor het onderwijs, maar ook voor reclamedoeleinden, of voor het helder en begrijpelijk overbrengen van medische informatie.
De basis blijft dat gewone vertellen, zonder al te veel nadruk. Je kunt bij alle fundamentele behoeften in het leven (eten, ademen, lopen, seks) wel allerlei doelen nastreven, maar terwijl we bijvoorbeeld de godganse dag met een dieet bezig kunnen zijn, gaan we toch ook gewoon gezellig uit eten; vinden in wandelen het plezier in lopen terug; en vrijen zonder de bedoeling ons voort te planten. Met onze meer geestelijke behoeften is het niet anders. Vertellen is voedsel voor de ziel. Zonder dat gewone vertellen zouden we innerlijk verkommeren. Zelfs kluizenaars en mystici bidden urenlang tot God of Maria: vertellen moet, juist in de woestijn!

Wát we elkaar vertellen kunnen bestaande verhalen zijn, óf ze ontstaan als je put uit eigen belevenissen of verbeelding. Er is een schat aan orale en geschreven literatuur, waar we in ons leven van meepikken. Daarbij voegen zich de verhalen die we onszelf vertellen, óver onszelf, en over anderen, en over de wereld, hoe we die zien en zouden wensen. Dagelijks ontstaan er zo nieuwe verhalen, die vervolgens worden herverteld, aangepast en bijgeslepen, vaak dus met een bepaalde bedoeling.
En zó ontstaan allerlei toepassingen. Het kan bijvoorbeeld heilzaam zijn om het verhaal over jezelf, dat je al een leven lang in je meedraagt, eens te herzien. In psychotherapie wordt dit hervertellen als instrument gebruikt. Een depressief mens kan baat hebben bij een optimistischer verhaal. Zonder de feiten te verdraaien kan tóch een zonniger kijk op het leven ontstaan. Onderwijzers en leraren ervaren dat een goed gekozen verhaal de groep of klas als bij toverslag van stemming kan veranderen. En in het bedrijfsleven kan een goede vertelcoach helpen om het bedrijfsverhaal nou eens goed en positief over het voetlicht te brengen.
Dit laatste dan liefst zonder valse voorstelling van zaken. Want vertelkunst, ook in haar toepassingen, kan bedrieglijk zijn: dezelfde kracht van verhalen – en van meeslepende vertellers – kan zowel motiveren als mánipuleren. De leugen van de reclame is aanvaard en wordt massaal gedoogd. Eerlijk of oneerlijk, kan goed vertellen heel effectief zijn.
In volgende afleveringen van dit blog wil ik met enkele voorbeelden van toegepast vertellen laten zien hoe anderen daar mee bezig zijn.

woensdag 19 december 2012

Is vertellen nog van deze tijd? *)



Hartje winter, volop vertelseizoen. Het roept bij mij de vraag op of we niet allang liever voorlezen dan vertellen. Ik geloof dat voorlezen het verreweg gewonnen heeft van vertellen (=zonder tussenkomst van geschreven tekst). Het is zoveel gemakkelijker, je hebt al tekst, samenhang, een onderwerp, een goed verhaal. Al je energie kun je besteden aan uitspraak, expressie, tempo, pauzes, intonatie. Goed voorlezen is zeker een kunst, maar toch: je hoeft het maar op te lezen of, beter gezegd, voor te dragen, te 'brengen'. En je hoeft niet meer bang te zijn voor een blackout, het boek helpt je wel verder.
In mijn cursus hoor ik vaker dat mensen om die reden aan hun kinderen liever voorlezen dan rechtstreeks vertellen: het is minder vermoeiend.
Ook zijn er meer leesclubjes in Nederland dan vertelkringen. Men leest thuis hetzelfde boek en praat daarover in de groep. In de groep voorlezen of voordragen wordt ook wel gedaan.
Een bijzondere vorm daarvan is natuurlijk het voorlezen van heilige teksten, zoals in kloosters tijdens de maaltijd. In veel christelijke gezinnen doet men dat ook nog. Het komt er dan op aan dat de voorlezer zich innerlijk verbindt met wat er staat, en niet alles monotoon opdreunt. Goed lezen is een kwestie van, al lezende, tasten naar de betekenis in, maar ook áchter de woorden.

Al die manieren van mondelinge overdracht, met of zonder tekst, kunnen uitstekend naast elkaar bestaan; toch is het jammer als het rechtstreeks, levendig vertellen in onbruik raakt. En dat schijnt wel zo te zijn; of het wordt alleen nog beschouwd als iets voor kinderen vóór het slapen gaan. En dan nog wordt er steeds meer voorgelezen. Het aantal voorleesboeken blijft groeien. Vertellen lijkt zelfs met voorlezen vereenzelvigd te worden. Het gebeurt mij wel dat ik in een krant word aangekondigd als 'Jac Vroemen leest voor', terwijl ik was gevraagd om te komen vertellen. Onder een foto waarop ik zonder boek zit te vertellen in een kinderkring stond 'leest voor'. Omgekeerd, las ik een keer 'De burgemeester vertelt', terwijl hij toch duidelijk met een open boek in de klas zat. Het maakt me nieuwsgierig: is vertellen zonder boek of tekst nog wel van deze tijd? Ouders die het nog doen voor de kleintjes weten hoe leuk het is, maar ook hoe vermoeiend soms, als je na een lange werkdag nog iets uit je duim moet zuigen. Maar veel ouders doen het nog altijd met veel plezier: het verhaal in eigen woorden hervertellen, of zelfs helemaal verzinnen, zodat het nog kan groeien terwíjl je vertelt is scheppend werk!
Dat creatieve vertellen mag niet onder de huidige tijdsdruk verdwijnen. Want er is meerwaarde. Tijdens workshops heb ik de proef op de som genomen: ik las een kort eigen verhaal voor, en vervolgens vertelde ik een vergelijkbaar eigen verhaal rechtstreeks. De reacties waren unaniem, dat er bij rechtstreeks vertellen meer contact is.

Met leesgroepen heb ik weinig ervaring. Van vertelkringen kan ik zeggen dat het een zekere discipline vraagt, met name om iedereen met zijn verhaal aan bod te laten komen, en niet te verzanden in gebabbel; maar als iemand die orde bewaakt lukt dat meestal aardig. Een vertelkring, ontstaan uit mijn eerste vertelcursus ooit, komt al meer dan twintig jaar maandelijks bij elkaar. Voor mij het bewijs dat mensen een onuitputtelijke bron van verhalen kunnen zijn, en daarin groeien.

Natuurlijk kan voorlezen ook boeiend zijn. Maar dan vertelt het boek. Je ziet kinderen dan vaak niet eens kijken naar de verteller, maar naar het boek, waar het verhaal kennelijk uit te voorschijn komt.
Toch geef ik de voorkeur aan het 'levende boek', de verteller. Het vraagt energie, voorbereiding, maar het loont. Vertellen zonder boek is intiem. Dat maakt het ook tot een kleinschalige gebeurtenis. Het verhaal omspint de luisteraars, maakt er een momentane gemeenschap van, die door de gezamenlijke aandacht deel wordt van het verhaal.
De keren dat ik wel eens voor een grote zaal ben opgetreden, heb ik het toch meer beleefd als cabaret dan vertellen. De mensen zitten 'klassikaal' voor je, niet in een halve cirkel om je heen. Je kunt de gezichten niet zien.Vertellers willen dat visuele contact, geen onverlichte zaal.
Dit is misschien een van de redenen dat vertellen uit de tijd lijkt: een tijd waarin massa, meerderheid, volte en snelheid (het spreektempo van de meeste cabaretiers en hun heen-en-weer – gedraaf is ijzingwekkend) op de voorgrond staan.Vertellen hoort bij kleinschaligheid; en bij vertraging. Misschien is het daardoor dat vertellen, ook in zijn nieuwere vormen, een stap terug lijkt. Ik vergelijk het graag met de ontwikkeling van 'slow food' boven snacks, eten aan de bar, drive-in restaurants en andere snelle eetgewoontes van vandaag (zie ook mijn vorige blog); en beroep mij op een uitspraak van de bekende trendwatcher Lideweij Edelkoorn, die een beweging naar kleinschaligheid op alle gebied voorspelt. Vertellers raad ik aan zich daarop te bezinnen, en zich niet blind te staren op de eigen grote doorbraak naar een massapubliek. Dat zit er meestal gewoon niet in, omdat het niet bij vertellen hoort.
Word je toch een keer gevraagd om voor grote zalen op te treden, prima. Maar bedenk dan dat je van de kunst van vertellen switcht naar een verwant beroep: ofwel dat van acteur, of van cabaretier. Natuurlijk kan dat een sprong voorwaarts voor je betekenen.

*) Ondertussen per email de uitnodiging ontvangen voor een Rondetafelgesprek op 20 januari 2013, over de plaats van vertellen in de samenleving van nu. Raymond Boestert, verteller van het jaar 2012, en de Stichting Vertellen hebben hiervoor een aantal interessante vragen opgesteld zoals: hoe komt het vertellen aan haar soms wat stoffige en oubollige imago? Plaats: Oudegracht 230 Utrecht. Tijd: 14 – 17 uur.Opgave bij Gotfried van Eck: gvvaneck@telfort.nl

PS: a.s. 21 december vertel ik in De Magische Bongerd winterverhalen, Tolakkerlaan 9 Zeist. Opgave Debora Zachariasse, 0619800643. Er zijn geen plaatsen meer de 21e, maar bij voldoende belangstelling is er 4 januari een herhaling.

zondag 25 november 2012

Wintervertelling (15)


Wat betekent winter? Iedereen heeft er zijn eigen beelden bij, herinneringen en ervaringen.
Is het de kou en de nattigheid waar je het eerst aan denkt? Of schaatsen. Of sneeuwballen gooien.
Ik ga voor de mooie herinnering. Verglansd door de tijd, hangt er een zoete weemoed om onze kinderspelletjes. Nog wat langer op mogen blijven, we hadden 's avonds in de schemer een glijbaan gemaakt door een paar emmers water uit te gieten over straat, wat meteen bevroor. De verrukking van elkaar te mogen vastgrijpen, als je net wat harder doorgleed dan het meisje vóór je.
Of de plaksneeuw, en het eerste winterwonder van een sneeuwbal die al rollend reusachtig groot werd. Dan samen sjouwen en stapelen voor een sneeuwman.
Of die andere winter dat de sneeuw lang bleef liggen, we gingen met onze sleetjes tegen de heuvel op en stoven naar beneden, geluidloos glijdend, zonder wielen, door de snijdende wind!
Of later, pubers al, de avonden op de ijsbaan: blikkerige muziek schalde uit luidsprekers aan de bomen. Het – dit keer – onbereikbaar geworden meisje, dat telkens aan je voorbij zwierde...ook wel omdat ze beter kon schaatsen. 's Avonds doorgloeid en vermoeid thuis komen, toch gelukkig: er was warme chocolademelk en je vader las nog voor... óf: vertelde! Dat maakte verschil, want als hij las, 'vertelde' niet hij zelf, maar het boek, zo voelde dat.
Vertelde hij zelf, rechtstreeks dus, 'uit het blote hoofd' (“by heart”), dan was dat een andere beleving, het was net of mijn vader dan dichter bij je was. Als hij voorlas deinde je mee op zijn stem en dat was ook wel fijn, je had dan de ruimte om een eigen verhalenland binnen te gaan.
Winter, het seizoen van de vieringen, en van de verhalen. Ik lees dit keer niet voor, maar vertel. Het gebeurt in het tuinhuis van De Magische Bongerd, www.demagischebongerd.nl, een mooie natuurboerderij, imkerij en kruidentuin tussen Zeist en Utrecht, in het dromerige landschap van de Kromme Rijn, de rivier die altijd meevertelt.
Waarover? Talloos zijn de winterverhalen uit de literatuur. Ik ga er uit putten, vertel een verhaal van Anton Tsjechov en – na de pauze – schelmenverhalen uit de Decamerone: een rijke Europese traditie. Shanti Prins speelt op de harp.
Voor verhalen van eigen hand, zie mijn blogs 'haikujac' en 'vertelwerk' 

wakker worden in
dit stille licht en weten
het heeft gesneeuwd


Met Jac Vroemen, verhalen van Tsjechov en Bocaccio’s Decamerone;
en Shantie Prins, harp
Tijd: vrijdagavond 21 december, 20.00.
Plaats: De Magische Bongerd, Tolakkerlaan 9, Zeist.
Kaarten 7 euro (voor volwassenen)
Aanmelden: 030-6992888 of info [at] demagischebongerd {punt} nl

dinsdag 13 november 2012

Sint gaat suikervrij! (14)



Sint Nicolaas zat aan z'n baard te pulken, terwijl hij de correspondentie van die ochtend doornam. Er was een brief bij van een klein meisje uit Bunnik, Holland, dat vroeg of het waar was dat je Sinterklaas aan z'n baard mocht trekken, voor echtheidscontrole. Zoveel hulpsinten waren anders niet van echt te onderscheiden. Een jongetje uit Doorn schreef dat zijn vader een paarse pantoffel had gevonden bij het schoon maken van de dakgoot, en of een van de Pieten er een kwijt was. En een ander jongetje, uit Driebergen-Rijsenburg, schreef dat ze paardenvijgen hadden gevonden op de trap, en of Sint Nicolaas voortaan buitenom wilde komen. Actieve buurt daar, mompelde Sint.
En dan was er nog die brief van een groep wijze ouders, zich noemende ANTI-SNOEP LOBBY. Snoep was kindervergiftiging, schreven ze, vanwege het hoge suikergehalte. Dat was wetenschappelijk aangetoond. Ook suikervervangers waren vaak schadelijk, zoals saccharine. Zelfs de zg groene winkels gingen niet vrijuit. Waarom, in 's Heren naam, liet de Sint zich nog steeds heilig noemen, als toch sinds jaar en dag, in zijn naam en onder zijn beeltenis, kinderen vergif kregen? Ze werden sloom en sjachrijnig van suiker, dat was toch algemeen bekend? Moest, na asbest en tabak, ook het gevaar van suiker eerst nog weer eens blijken uit nóg meer onderzoek?!

En die actie 'snoep met mate', zoals een oecumenische Sinterklaasvereniging uit Maarn (wat was er toch gaande in dat Heuvelruggebied?!) dit jaar aangespannen had, was uiteraard zinloos, zolang Sint zijn Pieten letterlijk met snoep liet SMIJTEN!
Nee, alleen veilige versnapering kon er mee door voor deze activisten, en de groep zou dit jaar een grote actie houden. 'Wij zijn heus geen zuurpruimen of misbaksels', schreven ze nog. Dat laatste kon Sint vaststellen aan de hand van een bijgesloten kleurenfoto van de actiegroep. Fleurige jonge moeders met onbespoten appelwangen waren erop te zien, en sportieve vaders in strakke, goed gewassen spijkerbroeken.
Hun eisen: op alle snoep in de vorm van Sinten en Pieten, moest komen te staan:
'Brengt de gezondheid ernstige schade toe' en, 'Snoepen kan dodelijk zijn'.
Sint Nicolaas zuchtte. Weer van die goedwillende jongeren, die niet wisten dat hij zelf zich al jarenlang verzette tegen suikerhoudende snoep! Zijn eigen post werd immers hardnekkig door binnenlandse veiligheidsdiensten tegengehouden, die werden aangestuurd door de internationale suiermaffia! Neem nou Zijn eigen protesten tegen het straffeloos gebruiken van Zijn naam en beeltenis in al die foute snoepwinkels. Hij had zelfs al meerdere malen geprobeerd de zaak bij het Europese hof in Straatsburg aanhangig te maken. Maar nergens nooit gehoor gekregen. 'Hier!' Mompelend viste hij de brief uit een hangmap, met het logo van het Hof en las zichzelf voor:
'Uwe doorbakken doorluchtigheid,
Aangezien u officieel niet bestaat, en wij ook al lang niet meer aan u geloven, is uw klacht over het ongeoorloofd gebruik van uw naam en beeltenis door ons niet ontvankelijk verklaard.'
Ongeloof als bron van alle kwaad, zuchtte de meervoudig-bejaarde. Er werd geklopt..
Het was Piet de Opper-hermafrodiet, die een stapel flyers bracht.
'Zzo ggoed, Sjinterklaas?' vroeg hij, met die dikke tongval, als van teveel alcohol, die Pieten nu eenmaal eigen is. De zwaar bedrukte velletjes papier bevatten, in pseudo-chocoladeletters, teksten als: "HOEDT U VOOR DE SUIKERSINT. HIJ HOUDT NIET HEUS NIET VAN HET KIND"
en
SNOEP VERSTANDIG, EET EEN APPELSIENTJE.
Sinterklaas was het er helemaal mee eens. Bedoeling was de pamfletten vanuit de stoomboot over de kade te laten wapperen, zodra Sint in Wijk bij Duurstede, Holland, af zou meren. Kijken of het dit keer lukte. Bij eerdere pogingen waren ze door de Lek gespoeld vóór ook maar iemand ze gelezen had. Gelukkig waren ze van oplosbaar papier.

zondag 4 november 2012

Sprookjes (13)



Sprookje. Wat roept het bij je op? Een flarde, of een enkel beeld, als ik ernaar vraag in de cursus, iedereen komt wel met iets. Vaak een schijnbaar onbelangrijk detail, maar in de tijd wezenlijk gebleken. Dat je op tijd steentjes in je zak moet stoppen in plaats van kruimels bijvoorbeeld, omdat vogels ze wegpikken zodat Klein Duimpje de weg naar huis niet meer kon vinden. Dat het lelijke eendje zo zielig was; het geluksgevoel, toen het een zwaan bleek! Dat het ging sneeuwen als Vrouw Holle de dekens schudde. Dat er koekjes en een flesje wijn voor grootmoeder in Roodkapjes mandje zaten. Dat de kleine zeemeermin haar prachtige stem offerde om benen te krijgen opdat de prins haar zou beminnen. Dat de kunstnachtegaal het toch niet haalde bij de echte nachtegaal. Dat de prinses (Rapunsel) de prins aan haar gouden vlecht omhoog liet klimmen. Dat het stoeltje van de kleinste beer 'krak' zei toen Goudhaartje er op ging zitten. Dat...

Het zit in het woord. 'Sprookje'. Woorden hebben kracht, een energetische lading.
Die lading kan ook kantelen naar negatief, weten we, afhankelijk van situatie en context. Als ik bijvoorbeeld uitleg wil over een nieuw apparaat of werktuig moeten ze me in de bijsluiter geen 'sprookjes' vertellen. De connotatie is dan geworden dat sprookjes alleen nog maar lievige kinderverhalen zouden zijn.
Een proces van vertrutting, dat toch niet de kracht heeft gehad om het oorspronkelijke verhaal (afkomstig van sproke, het gesprokene: dat wat de moeite van het doorgeven waard is) teniet te doen. Vergelijk het maar met een woord als 'mythe', waar hetzelfde mee gebeurd is: mythe als oeroude, kosmische kennis (lees Joseph Campbell), en mythe als vals, misleidend verhaal.
Het is de kracht van een niet zichtbare wereld, waar sprookjes en mythen, in hun oorspronkelijke betekenis, ons in de kinderjaren mee in aanraking brachten. Hun beeldenrijkdom is grotendeels verdwenen in het onderbewustzijn. Maar, als we in het dagelijks leven onverwacht dieper dan normaal ergens door geraakt worden, kan uit die verborgen schatkamer opeens iets wonderlijks aan de oppervlakte van het dagbewustzijn treden. Min of meer zoals de verrassing, wanneer je een jaren geleden kwijtgeraakt sieraad met spitten of harken in de tuin vindt. Of, stel, je loopt op een mooie herfstdag door het bos en geniet van de kleuren van de bladeren, die over het pad een heel tapijt vormen. Vanuit de stemming waarin het wandelen je gebracht heeft, associeer je dat onwillekeurig met een loper van bladgoud, die daar speciaal voor jou ligt. (Als andere wandelaars het niet zien is dat nog waar ook). Je krijgt er een goed gevoel van: Vrouw Holle heeft die gouden loper voor jou uitgelegd! Je hebt het goed gedaan de laatste tijd, goed voor haar gewerkt, en mag tevreden naar huis.
Dat 'Vrouw Holle' een vertelrest is die staat voor de oorspronkelijke aardmoeder of aardgodin, is je er vroeger vast niet bij verteld, maar het is misschien nog voelbaar geweest in dat sprookje.

Of dit laatste allemaal wetenschappelijk vast staat weet ik niet. De relatie tussen Vrouw Holle en de aardgodin is speculatief. Maar kan een goed verhaal onwaar zijn? Sprookjes en sprookjesachtige verhalen gaan over een parallelle werkelijkheid. Ze vragen om een intuïtieve benadering, meer dan om een historisch-wetenschappelijke, waarbij je het onderwerp van een afstand bekijkt, om een antwoord te vinden op vragen als hoe oud sprookjes eigenlijk zijn, of uit welke cultuur ze oorspronkelijk stammen; of ze veeleer, onafhankelijk van culturele uitwisseling, op meerdere plaatsen en momenten ontstaan zijn.

Meer ambachtelijk en kunstzinnig, dan wetenschappelijk-objectiverend is bij voorkeur mijn benadering van vertellen.
Het is achteraf dan ook wel begrijpelijk dat ik onlangs tijdens een symposium op het #Meertens instituut in Amsterdam ietwat vervreemd zou raken bij het luisteren naar lezingen over sprookjes. 2012 is door Unesco uitgeroepen tot Grimm-jaar, omdat de gebroeders Grimm 200 jaar geleden begonnen met het aanleggen van hun beroemde verzameling, die na de bijbel het meest gedrukte en verspreide boek op aarde is geworden. Overal wordt dat gevierd. Een voorbeeld is de stad Zwolle, die het hele jaar in het teken van de beroemde sprookjes staat.
Logisch dat het Meertens instituut, bekend van de romanserie van Voskuil maar toch vooral hoedster van het onderzoek naar de Nederlandse volkscultuur, en dus zeker ook van de volksverhalen, daar op z'n minst een symposium aan wilde wijden.
Maar wat een tempo. Zeven inleidingen bevatte de dag. Van een levendige gedachtenwisseling kon nauwelijks sprake zijn. Een paar plichtmatige vragen tussen de lezingen in was het meest haalbare. Onderwerpen als 'Genrekwesties in tekst en receptie van de Duizend en een Nacht', 'De bronnen van de gebroeders Grimm, over de herkomst van toversprookjes' en 'Hoe universeel zijn de verhaalstructuren van sprookjes', garandeerden weliswaar inhoudelijk een hoog informerend gehalte, maar of en hoe die informatie verder kon gedijen bij de toehoorders onttrok zich aan mijn waarneming. De meeste inleidingen werden zo snel voorgelezen dat men beter de volledige tekst had kunnen uitdelen.
Onvoldoende had ik mij gerealiseerd dat, gezien het programma en de functie van een historisch onderzoeksinstituut, de inhoud louter wetenschappelijk zou zijn, wat ook de afstandelijke vorm bepaald heeft. De laatste lezing was daarvan wel het grappigste voorbeeld. Inleidster Vanessa Joossen vertelde met een kwinkslag dat zij niet eens van sprookjes hóudt; ze is ooit geboeid geraakt door debatten over sprookjeskritiek, en kwam daardoor tot haar boek 'Critical and Creative Perspectives on Fairy Tales'. Daarin wordt met name Bruno Bettelheim, die in de jaren '60 en '70 betoogd heeft dat sprookjes voor kinderen een belangrijke therapeutische waarde zouden hebben, sterk gerelativeerd.
Ik geloof ook wel dat Bettelheim die vizie te ver doordreef. Men moet, denk ik, de betekenis en functie van verhalen niet tot op het bot willen analyseren. Ten laatste ontgaat het je dan toch. Het geheim van goede verhalen valt niet te kraken; en misschien moeten we dat niet eens proberen, net zo min als we ooit zullen ontdekken hoe een kat kan spinnen (of zijn spinnende katten al eens door een scanner gehaald?). Verhalen worden doorgaans niet verteld met een bepaald doel. De bédoeling is diffuser. De strekking ervan 'komt aan', mits er goed wordt verteld en geluisterd.
En wat dát inhoudt kwam die dag niet aan de orde. Nogmaals, het stond ook niet op de agenda maar toch: was er nou maar eens één iemand geweest, een verteller, die één keer, kort, een sprookje goed verteld had die dag. Of uit eigen ervaring verteld had wat er met kinderen gebeurt die naar sprookjes luisteren; de betovering metterdaad had kunnen overbrengen. Het zou allemaal wat minder boven de aarde gezweefd hebben. Nu deed het geheel mij af en toe denken aan schoenverkopers die zelf nooit in de schoenen die ze aanprijzen gelopen hebben, of vlinders leren kennen door ze op te prikken.

woensdag 24 oktober 2012

De kracht van verhalen (12)


Een verhaal is als een vuur.
Soms vlamt het op.
Soms lijkt het uitgegaan;
maar het verhaal sterft nooit, het smeult.

donderdag 18 oktober 2012

Vertellers in soorten (11)




Een veel voorkomend misverstand over vertellen is, dat vertellen exuberant moet zijn, 'groots en meeslepend'. In die opvatting is het, dat vertellers misbaar maken bij bijna elk type verhaal. Ze rijzen en dalen met hun stem zowel als met hun lichaam. Ze sluipen naderbij, en springen plotseling vlak voor je neus op. Met wijdse gebaren onderstrepen ze hun woorden. Die krijgen allemaal zo veel mogelijk nadruk. Vertellers worden hees van hun werk. Als ze klaar zijn moeten ze thuis worden opgelapt.
Er is een ander soort vertellers, net zo goed. Ze hebben zachte stemmen. Ze zijn niet voortdurend aan het woord. Wachten ze hun kans af? Dat is te zeggen, ze herkennen misschien wel kansen waar de exuberante verteller nog te weinig podium zou veronderstellen. Het kan dat je zo'n stille verteller een keer in de trein ontmoet, op een wat langer traject. Hij vraagt je iets onschuldigs over jouw reis en daar komt een korte gedachtenwisseling uit voort... en opeens is er ook een verhaal. Tot je verrassing achteraf is het verhaal net uit, als je op je bstemming bent gearriveerd. Of er is opeens een zachte, onopvallende verteller bij de toespraken voor een jubilaris; of bij een ter aarde bestelling, hij was niet genoteerd maar opeens spreekt hij, en vertelt een anekdote uit zijn persoonlijke herinnering aan de jubilaris, of aan de overledene en het is opeens ook, alsof het wat warmer, wat behaaglijker wordt voor de aanwezigen, de jubilaris glimlacht verrast, zeker, de toespraak van de manager was uitstekend en benadrukte zijn verdiensten voor het bedrijf correct; de overledene lijkt opeens nog even aanwezig te zijn, alsof hij gerustgesteld toeluistert.
Het kan, en soms gebeurt het. Er zijn nu eenmaal soorten vertellers. Wees de verteller die het beste bij je past.

maandag 8 oktober 2012

Een stil orkest (10)

In elk verhaal speelt een stil orkest van stemmen. Daarom vraagt een goed verhaal om luisteraars, die ook als ze lezen, meeluisteren. De schrijver laat, als alwetende verteller, de lezer 'horen' wat er in zijn personages omgaat. Met andere woorden, het personage wordt voorgesteld als iemand die in zichzelf praat...Het is wat een vertellend boek spannend maakt, dat we in het normale leven maar zelden horen wat er in een ander nou echt omgaat. De alwetende verteller weet dat, veel beter dan wat mensen er in de gewone werkelijkheid zelf over zeggen, want dat is meestal toch wat men graag wil laten horen. De magie van vertellen, zowel mondeling als in schrift, is dan ook dat het verhaal ons binnenvoert in die verborgen, geheime wereld van anderen. Zeker als je bedenkt dat vertellers niet alleen mensen aan het woord laten, maar ook bijvoorbeeld sprekende dieren opvoeren of voor mijn part bomen, God of de wolken: alles spreekt, openhartiger dan in werkelijkheid, zodra je het aan vertellers toevertrouwt. Zij zijn onze reisleiders naar onbekende eilanden.
Die onbekende wereld, waar we zonder het vermogen tot vertellen nooit zouden komen, is voor ons welzijn net zo belangrijk als eten en drinken. We leven niet alleen in een wereld van aarde, lucht en wolken, maar ook in een vertelde wereld (zie bijvoorbeeld in mijn blog <haikuverhalen> ). Het is een parallel universum, dat onze gewone werkelijkheid weerspiegelt. Zonder die extra dimensie, zouden we bewoners van 'Platland' zijn, levend in een werkelijkheid zonder diepte.
Die diepte scheppen we zelf, want zodra we taal verwerven, beginnen we met vertellen. Kinderen vertellen verhalen aan hun knuffels; soms praten ze hardop. Ze vertellen ook in stilte verhalen aan zichzelf. De meeste volwassen mensen praten ook nog in zichzelf, zeker op spannende momenten, bijvoorbeeld als je een schokkend bericht moet verwerken; of als je zomaar even het verstand op bijna nul zet; of als je iemand zwijgend aanhoort en je denkt er het jouwe van.
Dit praten ín jezelf is vaak een praten tégen jezelf...waardoor de 'monologue interieur' een díalogue intérieur wordt. Er is dan een innerlijke luisteraar.
Oefening: maak je je dat bewust, dan kun je twee stemmen horen in je binnenste: hoe ze klinken, waarin ze verschillen – aangenaam of onaangenaam - , wáár ze het over hebben en wat ze van je willen. Dan ontstaat er een derde, soms 'toeschouwer' genoemd, maar in feite een innerlijke luisteraar. Deze innerlijke luisteraar kan zich desgewenst manifesteren, als hoorbare verteller.

De verteller voor publiek oefent zich in dat van binnen luisteren. Als je in staat bent je eigen stemmen te horen, herken je beter de klank van de personages in het verhaal dat je hardop wil vertellen. Je kunt ontdekken dat het allemaal aspecten zijn van jou zelf ('Wat je zegt ben je zelf'). Je brengt ze tot leven.
Je toehoorders ervaren dat. Je ziet aan hun reacties of het aankomt wat je vertelt. Als je te gespannen bent om daarop te letten, ben je niet goed 'aangesloten': op je verhaal, op je toehoorders en bij je zelf; gouden driehoek van contact in het vertellen. Je aandacht fluctueert tussen die drie. Je bent dan ook minder gespannen, want je voelt, het gaat al niet om jou, het verhaal wil verteld worden. Gezichten raken in trance, vertrokken naar Verhalenland.
Schrijvers – vertellers op papier – geven hun personages – van keukenmeid tot professor – onderling soms dezelfde toon, zelfs in woordkeus. Dan heb je je niet voldoende ingeleefd, denk ik. In de film over het boek In de ban van de Ring, Tolkien's meesterwerk, zijn de stemmen wat dat betreft wél goed gekozen. Herinner je maar eens de stemmen van de 'Enten', de wandelende bomen, of de stem van Gandalf. Niet alleen in de film, ook in het boek roept de tekst in de verbeelding het passende stemgeluid op.

Voor de verteller biedt de kunst van het stemmen 'beluisteren' een groot deel van de vertelstof. Ook een geschreven verhaal dat je voor het voetlicht wilt brengen, moet je eerst zelf 'beluisteren'. Door de bij elk beeld horende stem komt je innerlijke beeldengalerij dicht bij personen uit het echte leven. Tussen een verhaal van buiten leren, of het verinnerlijken en als belevenis weer naar buiten brengen, maakt dit 'inluisteren' het verschil.


donderdag 27 september 2012

De stem (9)





Vertellen vraagt ook 'techniek'. Bij techniek denk je al gauw aan materiële dingen. Toen ik ergens desgevraagd zei dat ik 'iets met communicatie' deed, was het antwoord: 'ha, leuk, ik zit ook in de communicatie'. Mijn gesprekspartner bleek werkzaam te zijn in een ICT- branche.
Maar communicatietechniek gaat natuurlijk ook over de psychologische en fysiologische kanten van communiceren: twee aspecten die niet te scheiden zijn. Neem stemgebruik. Wie hardnekkig slordig spreekt heeft een fysiologisch communicatieprobleem. Achter de pc zal hij daar geen last van hebben, maar aan de telefoon kan het tot gevaarlijke misverstanden leiden. Soms kan een logopedist daar in helpen. Anderen hebben zo weinig kracht in hun stem, dat zangles aan te raden is. Maar heb jij veeleer last van te snel praten, of kom je niet uit je woorden? Dat lijkt me een psychologisch communicatieprobleem. En de diverse vormen van stotteren hebben fysieke zowel als psychische kanten.

Gaan we hier verder uit van een normale spreekvaardigheid, dan zullen sprekers en vertellers toch bewuster werken met stem, lichaamstaal en woordkeus dan de meeste mensen.
Met je stem schep je ruimte.
Het woord 'ruimte' duidt hier op een welhaast magisch aspect van spreken en vertellen. Het vraagt kracht – geestkracht – om die ruimte te durven scheppen. Een paar voorbeelden:
op 'hoge toon' of met een 'warme toon' spreken, daar schep je een bepaalde sfeer mee. Sfeer is overdrachtelijk gezien ruimte. Neem een feestspreker die een grote zaal 'meeneemt' – warme toon -, alsof we met z'n allen in een gezellige rondvaartboot zitten; of denk aan een wetenschapper die het omgekeerde effect bereikt bij een hoorcommissie – hoge toon – en het gevoel geeft dat ze worden aangesloten op een wereldwijd netwerk van deskundigheid. Of een burgemeester die zijn gemeente toespreekt op een sociale, verbindende toon, het plein voelt opeens kleiner aan, alles wat dichter bij rond de spreker.
Een spreker die sfeer schept overtuigt.
Zelfs – of juist – als je een 'praatje' houdt in de huiselijke kring voel je de 'afstand' (ruimte) die je opeens moet overbruggen: daarnet zat je nog gewoon tussen de anderen, maar nu ga je er twee meter vóór staan. Of je gaat staan aan tafel en tikt tegen je glas. Het voelt alsof je opeens iemand anders bent. Je neemt een andere rol aan: een verplaatsing in een psychische ruimte.
Sommige mensen gaat dit van nature goed af, maar oefening baart kunst. Spreken en vertellen zijn zeker in ons land onderschatte vaardigheden. Ze zouden, net als diverse sporten, meer gewaardeerd mogen worden. Wel moet iedereen die in een gegeven situatie aanvoelt dat het een goed moment is om wat te zeggen, dat natuurlijk kunnen doen, maar na wat training is de drempel toch meestal lager, en de spanning minder.

Voor vertellers is de stem wat het instrument is voor de musicus. Ze zullen meerdere personages in hun verhaal dan ook verschillend laten klinken. Zo zal een dominant type – een reus bijvoorbeeld – hoorbaar veel meer ruimte innemen dan een kabouter die wat terugzegt...
Stemtraining gaat dus niet alleen over fysieke verstaanbaarheid, ook gevoelsmatige verstaanbaarheid is van groot belang.
Sprekers blijven doorgaans in éen en dezelfde rol – hún rol als spreker, geleerde, feestredenaar of wat dan ook. Is hun onderwerp zakelijk, dan moeten ze vooral waken voor monotonie, die optreedt wanneer ze wel bij hun tekst maar niet bij hun gehoor zijn. Wie wil presenteren moet ook present zijn, en dat doe je allereerst met je stem. 
We kunnen om te beginnen al leren om de stem te 'plaatsen' ('Ben ik achter in de zaal te verstaan?'). Tevens heb je je geluid daarmee even uitgeprobeerd. Te weinig energie in de stem maakt dat de toehoorders zich meer moeten inspannen, wat de bereidheid om te luisteren, laat staan zich ergens van te laten overtuigen niet ten goede komt.
De energie die je daarvoor nodig hebt, groeit met het zelfvertrouwen.
Tips: Een zangcoach die ook van spreken en vertellen weet is: 
Specifieker voor spreken en vertellen: Roeland Schweizer, Roeland@schworks.nl, speechen.nl. Met beide heb ik jarenlange goede ervaringen.
Voor een enkel telefonisch advies kun je mij eens bellen (0343-518648): geen kosten.